Hoe werkt het?
|
FM-systemen bestaan uit:
De zender vangt de stem van de spreker op d.m.v. een microfoon en verstuurt deze via radiogolven direct naar de FM-ontvanger van de CI. |
![]() |
In Europa variëren de gewettigde FM-transmissie-ranges van land tot land. De FM-transmissie is binnen elk van de toegewezen transmissie-ranges weer verdeeld in smalle banden of uitvoeringskanalen. Zowel de zender als de ontvanger moeten op hetzelfde kanaal worden ingesteld, anders werkt het systeem niet. Ontvangers vangen het signaal van de dichtstbijzijnde zender met een overeenkomend kanaal op en negeren andere, zwakkere signalen.
Een FM-systeem koppelen aan een geluidsprocessor
1. Bevestig de microfoon van de FM-zender aan de revers van de spreker (bijv. de docent).
2. Verzeker u ervan dat het volume van de FM-ontvanger en het volume/gevoeligheid van de spraakprocessor beide op het minimum staan, terwijl het FM-systeem en de geluidsprocessor uit staan.
3. Bevestig de FM-ontvanger aan de geluidsprocessor met een speciale kabel, die door de audioloog beschreven en verstrekt is.
4. Zet de zender, ontvanger en geluidsprocessor aan, in deze volgorde.
Het is belangrijk dat u de apparatuur in de juiste volgorde aanzet om te voorkomen dat de leerling ongunstige geluidseffecten zal horen.
5. Geluidsprocessor (indien van toepassing): verhoog geleidelijk het volume en de gevoeligheid tot aan de instellingen, die zijn aangeraden door de audioloog.
6. FM-ontvanger (indien van toepassing): verhoog geleidelijk het volume tot een sterkte die prettig luistert of die bepaald is door de audioloog.
7. Voor processoren met een kasttoestel: plaats de FM-ontvanger in het tasje aan de riem of draaggordel van de CI-gebruiker.
8. Loop een paar meter van de CI-gebruiker vandaan en doe een eenvoudige test voor de geluidsontvangst, bijv. de Ling geluidstest. De ontvangst mag niet significant anders zijn dan als dezelfde test wordt gedaan met alleen het implantaat op een afstand van 1 meter in een stille omgeving
Hints en tips
![]() |
![]() |
| Groepsgesprekken: probeer de microfoon van de zender steeds door te geven aan degene die aan het woord is. |
Multi-media (bijv. TV, cassette of video): plaats de zendmicrofoon vlakbij de geluidsbron of koppel de TV direct aan de FM-zender m.b.v. een adapter-kabel. |
Twee zenders vlakbij elkaar:
Verzeker u ervan dat de zendfrequenties zo ver mogelijk uit elkaar liggen.
Herinner de CI-gebruiker eraan om van kanaal te wisselen, als hij/zij van de ene groep naar de andere groep gaat. (Bijv. in een situatie van team-docenten.)
Audio-mixing:
Het FM-systeem zorgt ervoor dat de CI-gebruiker het horen kan richten op één spreker, maar mogelijk heeft hij/zij het nodig om de eigen stem en omgevingsgeluiden te horen. De balans tussen deze verschillende geluidsbronnen heet audio-mixing. De geluidsprocessor heeft programma’s die zijn ingesteld met specifieke audio-mixing parameters; één hiervan kan bedoeld zijn voor het gebruik van FM-systemen. Vraag de ouders, het kind of de audioloog welk programma dit is.
Als het gesprek niet gericht is tegen de geïmplanteerde persoon (in een groep, op het schoolplein), herinner hem/haar er dan aan om de FM-ontvanger los te koppelen van de geluidsprocessor.
Let op: FM kan verder zenden dan het zicht. Een kind dat met de FM naar het toilet gaat, kan u mogelijk nog steeds horen!!


